Faculteit der Geesteswetenschappen
C.C. Wesselink
drs. C.C. (Claartje) Wesselink
Capaciteitsgroep Algemene Cultuurwetenschappen Universiteit van Amsterdam


Oude Turfmarkt 147
1012 GC Amsterdam

Kamer: 1.03

Telefoon
0205257196

http://home.medewerker.uva.nl/c.c.wesselink/
E-mail



Home

Claartje Wesselink is docent-promovendus aan de capaciteitsgroep Cultuurgeschiedenis van Europa. Ze studeerde Engels (specialisatie letterkunde, MA 2003) en filosofie (specialisatie esthetica, MA 2006, cum laude) aan de UvA en de Freie Universität te Berlijn.

Onderwijs

Binnen de BA Algemene cultuurwetenschappen (ACW) en de MA Erfgoedstudies geeft Claartje de volgende vakken:

  • Artefact
  • Cultuurbeschouwing
  • Erfgoed, toerisme en identiteit
  • Excursie Erfgoedstudies

Onderzoek

Titel: Kunst na de Kultuurkamer. 'Foute' kunstenaars en 'goede' kunst na 1945 
Promotoren: prof. dr. F.P.I.M. van Vree en prof. dr. R. van der Laarse
Looptijd: 1/2/2008 – 1/2/2013
Onderzoeksinstituut: Instituut voor Cultuur en Geschiedenis (ICG)


'De traditionele kunst, zoals die door de nazi's werd getolereerd, hebben wij gedurende de oorlog voldoende kunnen bekijken.' (Willem Sandberg, 1947)


Tijdens de Duitse bezetting dienden veel beroepsgroepen zich in te schrijven bij een nationaal-socialistische beroepsorganisatie. Voor beeldend kunstenaars was dat de naar Goebbels' Reichskulturkammer gemodelleerde 'Nederlandsche Kultuurkamer'. Weigeraars werden uitgesloten uit het openbare kunstleven en riskeerden een hoge boete bij het ontplooien van artistieke activiteiten. Kunstenaars die voldeden aan de Kultuurkamerplicht en daarbij actief deelnamen aan het kunstleven van de 'nieuwe orde', werden na de oorlog vaak als 'fout' aangeduid. Dit imago werd nog versterkt als zij NSB'er of fascist waren.
Deze 'foute' kunstenaars vormen het uitgangspunt van dit proefschrift. Na de bevrijding ging het met hun carrières bergafwaarts. Bovendien brak na 1945 de abstracte kunst door ten koste van de figuratieve richtingen. Ook dit kwam 'foute' kunstenaars, gezien hun voorkeur voor de figuratie, niet ten goede. De mate waarin iemand weer op kon klimmen hing af van zijn oorlogsverleden, maar ook van factoren als kunstenaarschap en netwerk.
In het proefschrift staan twee invalshoeken centraal. Ten eerste werpen de biografieën van 'foute' kunstenaars en hun werken nieuw licht op zeventig jaar denken over 'goed' en 'fout' in Nederland. Ze leggen de ongerijmdheden bloot tussen enerzijds geschiedenis en anderzijds collectieve herinnering en identiteit. Ten tweede zal worden onderzocht welke invloed de bezetting had op de omslag in esthetische opvattingen na 1945 – hoofdzakelijk ingezet door voormalige verzetskunstenaars. Welk verband is er tussen het kunsthistorische tijdperk '40-'45 en het naoorlogse omarmen van moderne stromingen die tot die tijd nauwelijks voet aan de grond hadden gekregen in Nederland?