Onderzoeksthema's
Lia Karsten (1955) studeerde sociologie aan de Landbouwuniversiteit in Wageningen. Zij is onder andere werkzaam geweest bij stedenbouwkundig bureau Zandvoort, de lerarenopleiding in Delft en het instituut voor stedenbouwkundig onderzoek van de Technische Universiteit Delft. Momenteel is zij voor drie dagen per week als associate professor verbonden aan de afdeling Geografie en Planologie van de Universiteit van Amsterdam. Daarnaast is zij gevestigd als zelfstandig onderzoeker/adviseur. Lia Karsten is moeder van drie kinderen en woont met haar gezin in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Persoonlijke fascinatie In deloop der jaren ben ik betrokken geweest bij tientallen (onderzoeks)projecten die het dagelijks leven in stadsbuurten raken. Het blijkt steeds weer dat het veel uitmaakt waar mensen wonen: de woonplek is onderdeel van de identiteit. Het blijft voor mij nog altijd boeiend om van mensen te horen waar ze wonen, hoe ze hun leven hebben ingericht met kinderen, werk en hobby’s en waar ze tegen aan lopen. Het verhaal over de woonplek vertelt veel over wat mensen in het leven nastreven. Maar ook als je goed om je heen kijkt, kun je veel te weten komen. Met observaties kun je problemen herkennen van overlast, onveiligheid of ondergebruik, maar ook nieuwe vormen van gebruik signaleren en nieuwe gebruikersgroepen. Hoe verandert een buurt en welke kant gaan die veranderingen op? Steden en hun bewoners zijn voor mij een voortdurende inspiratie voor nieuwe onderzoeksideeën. Op de fiets door de stad en in gesprek met andere stadsbewoners leer ik veel. Ook over de problematische kant van stedelijk wonen. Daarin hebben opgroeiende kinderen mijn speciale aandacht. De stad wordt weer populairder bij gezinnen met kinderen. Dat is een spannende nieuwe ontwikkeling. Hoe gaan we de relatie kind en stad vormgeven in tijden van stedelijke verdichting? Onderzoeksthema's Mijn onderzoek en adviesprojecten zijn gericht op drie onderling verbonden thema’s: geografische kinderstudies, stedelijk gezinsleven en openbare ruimte. Hieronder staan deze thema’s uitgewerkt; genoemde publicaties verwijzen naar de publication-page van deze web site. Ben je geinteresseerd in een van mijn onderzoeksthema's: neem gerust contact op. Geografische kinderstudies
- Geografische Kinderstudies is een nieuwe subdiscipline. Vanouds ging hetin de Geografie, maar ook in andere disciplines over volwassenen. Nog steeds zijndata overhet dagelijks leven van gewone kinderen (hoe vaak spelen kinderen in Nederland eigenlijk buiten? En wat is de gemiddelde leeftijd waarop ze zelfstandig naar school gaan?) beperkt. Wel hebben we inmiddels een groot aantal case studies die inzicht geven in de betekenis van de lokale omgeving voor opgroeien. Zie voor een overzicht mijn literatuur review (2001) : Van de straat? De relatie van jeugd en openbare ruimte verkend.
- Samen met Carolien Bouw en een groepje enthousiaste studenten heb ik een paar jaar gelden een groot onderzoek gedaan naar de historische veranderingen in het dagelijks tijdruimte gebruik van stadskinderen. Het verleden wordt vaak geromantiseerd, maar was het in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw veel beter dan tegenwoordig? (Stadskinderen, 2004; It all used to be better? 2005; Hinkelbanen op de stoep, 2010)
- Steden worden bevolkt door veel verschillende groepen kinderen. De grootste groep is die van de migrantenkinderen, die onderling weer grote verschillen kent. Daarnaast is een veel kleinere maar snel groeiende groep van de ‘nieuwe’ middenklasse kinderen. Komen deze kinderen met elkaar in contact, hebben zij gemeenschappelijke vrienden? Kortom hoe zit het met de segregatie en integratie inkinderlevens en hoe was dat vroeger? ( Growing up inAmsterdam, 1998; Herstructurering in de Bankastraat, 2007; Children’s bridging social capital, 2010)
- Een van demeest in het oog lopende veranderingen in hetdagelijks leven van kinderen is de sterk verminderde zelfstandige bewegingsvrijheid. In de eerste plaats is er de groep van binnenkinderen die nauwelijks nog buiten speelt.Daarnaast is de groep kinderen met de drukke agenda’s die gehaald en gebracht worden. Die groep heb ik aangeduid met de term de achterbankgeneratie. Buitenkinderen die nog veel en vaak buiten spelen zijn een minderheid in de stad geworden, maar het stoepkind is in opkomst! ( Vitale kinderen en creatieve steden, 2007).
- Hoe zit het met de kwaliteiten van de openbare ruimte als speelruimte? Onder invloed van de verdichting van steden komt speelruimte steeds meer onder druk. En er verschijnen bordjes met opschriften als: Dit is geen speelterrein (zie bijv. Westerdokseiland). Maar er zijn ook mooie initiatieven van opgeknapte speelplaatsen en groene speeltuinen. Hoe zou een ideale speelplek er eigenlijk uit moeten zien? Die vraag komt aan de orde in: Oases in het beton. Aandachtspunten voor een jeugdvriendelijke openbare ruimte (Van Gorcum, 2002).
- Kinderen spelen niet alleen. Zij zijn ook consument. Commerciële en culturele domeinen voor kinderen zijn vanaf de jaren zeventig in snel tempo toegenomen. Juist in hoogstedelijke settings vind je steeds meer specifiek op kinderen gerichte kinder ruimten: de kinderboekwinkel, het kindermuseum of het kinderrestaurant. Hoe kunnen we de opkomst van deze domeinen verklaren? ( Mapping Childhood, 2002)
- Welke positie nemen kinderen eigenlijk in in destedenbouw? Wordt er aandacht aan deze leeftijdscategorie besteed en zo ja hoe? In een onderzoek in Noord-Holland (2009) heb ik gekeken naar de beleidsmatige aandacht voor kinderen in de ruimtelijke ordening. Worden kinderen primair als anders gedefinieerd(de niet-volwassenen/ the other) of als in principe gelijk aan andere stedelingen? (Kleine burgers in de grote stad, 2009; The creation of play spaces in 20th century Amsterdam, 2010).
Openbare ruimte en stedelijke verdichting
- Over de openbare ruimte wordt veel geschreven, maar empirisch onderzoek naar het gebruik ervan is bijzonder schaars. Tegelijkertijd ondergaan steden een ‘upgrading’ en gaat het ene na het andere plein op de schop. Ruimtelijke interventies zijn zelden gestoeld op degelijk onderzoek naar het gebruik. Hoe zit dat bij het Amsterdamse Museumplein, ook wel het plein der plannen genoemd? In het kader van een studentenopdracht hebben wij een grondige studie gemaakt van de huidige geneugten en tekorten: Van wie is het Amsterdamse Museumplein, 2009.
- Steden en groen staan op gespannen voet met elkaar, zeker in tijden van verdichting. Restgroen wordt volgebouwd, sportparken uitgeplaatst. Maar er wordt ook gewerkt aan nieuwe groenzones. In het kader van een Europees vergelijkend parken project (SAUL) heb ik onderzocht welke condities nodig zijnom van een stadspark een succes te maken:Het groene antwoord op voortschrijdende verstedelijking, 2007.
- De toegankelijkheid van groen voor stadskinderen is nog weinig onderzocht. De veronderstelling is dat stadskinderen niet meer weten waar de melkvandaan komt. Isdat zo? En omgekeerd: hebben kinderen in plattelandsgemeenten inderdaad een betere toegang tot natuur en groen? Een van mijn studenten, Julie van der Hoeven, onderzoekt momenteel deze vraagstelling in Maarn.
- De toename van het aantal jonge gezinnen in de stad, en juist ook binnen de Ring, is steeds meer zichtbaar. Fietskarren blokkeren de Coffee Company en spelende kinderen, borrelende ouders en netwerkende buren bevolken de stoep ( The squatting practices of the middle class, 2008, De opwaardering van de stoep, 2007).
- In het bouwen aan de stad zijn veel verschillende partijen aan zet. Toekomstige bewoners komen doorgaans pas aan het eind van het bouwproces in zicht: bij de verkoop of verhuur. In hoeverre komen de denkbeelden aan de stedelijke productiezijde overeen met de ideeën van bewoners over de stad van de toekomst? Aan welk urban discours refereren de producenten en de consumenten van de stad in deze? In hoeverre wordt er met de huishoudens met kinderen rekening gehouden bij de ontwikkeling van plannen voor verdichting van de stad? Kunnen kinderen nog buiten spelen, blijven sportparken bereikbaar? ( From a top down to a bottom up urban discours, 2009; Urban professionals about families’ place in newly developed high-density housing estates, forthcoming)
- De grote suburbanisatie uit de steden vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw werd vooral gedragen door gezinnen die het zich konden veroorloven om weg te gaan.Tegenwoordig zijn het juist de bemiddelde gezinnen dieeen groot aandeel hebben in de categorie van de‘blijvers’. Steden worden niet alleen bevolkt door yuppies, maar ook door werkende gezinnen die ik heb aangeduid met de term young urban professional parents (yupps). (Stadsmensen, 2006; Smaak voor de stad, Een studie naar de stedelijke woonvoorkeur van gezinnen, 2006; Family gentrifiers, 2003; Housing as a way of Life, 2007; Yuppies settling down, 2010)
- Middenklasse gezinnen die voor de stad kiezen, kiezen voor stedelijkheid. Zij willen niet geassocieerd met suburbane tuintjes en eindeloze rijen eengezinswoningen. Maar stedelijkheid is een omstreden begrip. Gezinnen zoeken een specifieke vorm die ik stedelijkheid in de luwte heb genoemd: Stedebouw en RO, 2007. Verder heb ik met Louise de Rooij in opdracht van Projectontwikkeling Kristal een documentaire gemaakt over gezins- en kindvriendelijk wonen in de stad met de titel Stedelijkheid in de Luwte (2008).
- Het gezin met de kostwinnende vader, de zorgende moeder en een aantal kinderen die samenwonen in een huis is aan het veranderen. Seksespecifieke scheidslijnen verdwijnen, sommige gezinnen bewonen meerdere huizen en sommige kinderen pendelen tussen de huizen van hun gescheiden ouders. Het twee-locatiehuishouden is in Nederland een kleine minderheid maar wel een die groeit. ( Huizen houden,2003; Commuting partners, 2009)
- Interessant aan het stedelijk gezinswonen is dater niet alleen een veranderende voorkeur over woonlocatie uitspreekt, maar dat deze samenhangt met veranderde opvattingen over de combinatie arbeid en zorg. Het blijken vooral moeders met een carrière tezijndie een stedelijke woonvoorkeur laten zien. Het min of meer symmetrische huishouden waarbij werk en zorg door vaders enmoeders gedeeld worden is binnen de grote steden duidelijker aanwezig dan daarbuiten ( Housing as a way of life, 2007; Residential environment and household division of paid labour, forthcoming).
- Ook uit het onderzoek naar wonen in de Vinex blijkt dat locatie van woonwijken een belangrijke invloed heeft op de inrichting van het dagelijks leven. Hoe meer suburbaan, hoe traditioneler de dagindeling en taakverdeling. (Vinex-wijken, 2006; Leven in de buurt, 2007)