Thuis
Joep Hendriks (1979) is sinds mei 2007 verbonden aan het Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC) als gastonderzoeker. Hiervoor was hij tussen maart 2003 en oktober 2006 als assistent-vakreferent verantwoordelijk voor het Noordwest-Europese deel van de bibliotheekcollectie van het AAC.
Een specifieke groep vaatwerk die mijn aandacht heeft, is het regionale, reducerend gebakken draaischijfaardewerk, dat vaak in midden-Romeinse nederzettingen uit de Betuwe, het Land van Maas en Waal en op de oostelijke Brabants-Limburgse zandgronden aangetroffen wordt. De afgelopen tijd heb ik met Harry van Enckevort en Angela Collins onderzoek gedaan naar de productie en consumptie van deze Batavian grey ware, met als doel een beter beeld te krijgen van de verspreiding, typochronologie en functionaliteit van deze bakselgroep. Van dit onderzoek zal binnenkort een artikel verschijnen.
Buiten deze institutionele beslommeringen probeer ik op vrije momentenmijn gedachten te ordenen ten aanzien van de transformatie van laat-Romeinse villabewoning en de toeëigening van deze fenomenen door de vroeg-middeleeuwse samenlevingen in het Maasdal. Hier bestaat vooralsnog een gebrek aan goed gedateerde contexten en gepubliceerde vindplaatsen, waar zowel de laat-Romeinse tijd als de Merovingische periode duidelijk vertegenwoordigd zijn. Als afgeleide hiervan wil ik in de nabije toekomst weer verder gaan met een overzichtsartikel van de bewoning in de gemeente Sittard-Geleen-Born tussen de late IJzertijd en vroege Middeleeuwen.
Website Theoretical Roman Archaeology Conference 2008
Proceedings TRAC 2008
Publicatie Romeins grafveld aan de Molenberg-Baron-d'Osystraat te Wijchen
Overmijzelf
Als klein jongetje in het diepe zuiden van ons land raakte ik eind jaren tachtig van de vorige eeuw in de ban van de archeologie. Die liefde bleef bestaan tijdens de middelbare school (ondanks vele afleidingen) en vanaf 1997 mocht ik Europese Archeologie gaan studeren aan het IPP (toen het Instituut voor Pre- en Protohistorische Archeologie Albert Egges van Giffen), dat al snel zijn naam in AAC veranderde. Mede door de studievereniging Trilithon werden mijn politieke activiteiten en interesses steeds verder opzij geschoven. Zij maakten plaats voor vele middagen in de Trilithonkamer en een toenemende bemoeienis met het onderwijs van de vakgroep (OC-lid 2000-2003). Later kwam hier de organisatie van meerdere congressen bij (NJBG Congres 2002, SOJA 2003, A&T 2006) en het uitgeven van enkele congresbundels. Vooral het Symposium voor Onderzoek door Jonge Archeologen (SOJA) zorgde voor veel discussies en niet minder interessante borrels. De laatste jaren heb ik me als student-assistent bezig gehouden met het maken van een inhaalslag voor de middeleeuwse collectie van onze bieb.
Inhoudelijk bepaalde vanaf 1999 de keuze voor het hoofdvak 'Archeologie van de Romeinse tijd en latere prehistorie' de verdere invulling van m'n studie. Naast aandacht voor de theoretische archeologie en de toepassing daarvan op de studie van landschap en bewoning in het bijzonder, groeide mijn aandacht voor de Romeinse villa als historisch en archeologisch fenomeen. Van de vele weken veldwerk zijn die tijdens het onderzoek van de villa Kerkrade-Holzkuil in het zuidoosten van Limburg (opgraving ADC, 2001/2002 – o.l.v. Gerard Tichelman) dan ook het meest memorabel. Na enkele laatste ontsnappingen naar het oppidumvan Bibracte (F.) in 2004 en de veldcursus van Wolfheze (Gld.) in 2005, heb ik me verdieptin de transformatie van de laat-Romeinse villabewoning tussen Tongeren en Keulen. Zoals u op basis van het bovenstaande kon vermoeden, ben ik op dit onderwerp in 2007 afgestudeerd.
Een passie voor Romeinse villa's en hun landschappelijke omgeving heeft zo zijn vóór- en nadelen, zeker voor medereizigers tijdens vakanties in Zuid-Limburg,de Eifel, Engeland of andere delen van Europa binnen de grenzen van het Imperium Romanum. Enerzijds kun je het je permitteren mensen mee te nemen naar afgelegen landelijke gebieden met prachtige vergezichten. Maar anderzijds vind er altijd een moment van teleurstelling plaats als weer eens in het grote niets gestaard moet worden, met de voor de hand liggende vraag: "Zie jij ook de pars rustica, daar links van de pars urbana?"