Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Niet meer in bed eten

Verblijf in het ziekenhuis heeft op veel ouderen een ontregelend effect, eenmaal weer thuis blijken ze minder zelfstandig te kunnen leven dan voor opname. Amsterdam UMC en Cordaan zetten de Wijkkliniek op om daar verandering in te brengen.

Ziekenhuiskamer 293 oogt als een – ietwat klinische – hotelsuite. Een breedbeeldtelevisie siert de muur, er staat een klein koelkastje en op tafel ligt een welkomstpakketje; twee zeepjes en een washandje in cadeauverpakking. Het bed is nog leeg. De Wijkkliniek is pas twee dagen in bedrijf en wacht op patiënten; ouderen die zich met bijvoorbeeld een longontsteking melden op de spoedeisende hulp kunnen naar de kliniek worden doorverwezen, in plaats van opgenomen te worden in het ziekenhuis.

In een ideale wereld is een ziekenhuis een plek waar zieke mensen beter worden om vervolgens thuis de draad weer op te pakken. Maar voor veel ouderen is dat niet de realiteit. Een op de drie ouderen die worden opgenomen op de spoedeisende hulp in het ziekenhuis kan bij thuiskomst minder dan voor opname, ze zijn bijvoorbeeld verleerd zichzelf te wassen of aan te kleden. Een op de vijf meldt zich binnen dertig dagen na ontslag uit het ziekenhuis weer op de spoedeisende hulp. Daar moet iets aan veranderen, vond hoogleraar acute ouderenzorg Bianca Buurman en dus bedacht ze de Wijkkliniek. Een klein ouderenziekenhuis dat tracht te voorkomen dat mensen verslechteren tijdens opname en hen zo goed mogelijk voorbereidt op verder herstel thuis. ‘Liggend in een ziekenhuisbed verliezen ouderen spiermassa,’ vertelt Buurman. ‘En vaak hebben ze daar al niet veel van. Dat is een belangrijke oorzaak voor het functieverlies. In de wijkkliniek is het de eerste prioriteit dat de patiënt in beweging blijft.’

Bianca Buurman (foto: UvA)

Naast het bed op kamer 293 hangt een wit schrijfbord waarop het ‘Doel van de dag’ kan worden ingevuld. ‘Bij onze eerste patiënt, die gisteren werd binnengebracht, staat daar ‘Vanavond aan tafel eten’’, vertelt klinisch geriater Irène Oudejans. Ze wijst een ander vak aan, dat van ‘‘Doel voor ontslag’. ‘Dat kan bijvoorbeeld zijn; zelfstandig naar de wc gaan.’

Het klinkt vanzelfsprekend de zorg zo in te richten dat patiënten er zo veel mogelijk baat bij hebben. Toch is dat niet eenvoudig. De Wijkkliniek, van het Amsterdams UMC en Cordaan, is de enige plek in Nederland waar een ziekenhuisafdeling huist in een verpleeghuis en die mengvorm overschrijdt de gebruikelijke financierings- en organisatiegrenzen. ‘We moeten het wiel opnieuw uitvinden,’ vertelt Oudejans terwijl ze vol ongeloof uiteenzet hoe het maar liefst 150 manuur heeft gekost om uit te vogelen hoe ze het bloed van hun eerste patiënt konden laten onderzoeken.

Het waren hectische maanden in aanloop naar de opening, maar geklaag daarover laat Oudejans zich niet ontfutselen. ‘Kun je je iets leukers voorstellen dan keihard werken aan iets waar je in gelooft? En dat dat dan ook echt gaat lukken?’ Waar ze in gelooft; bij de zorg aan ouderen inventariseren wat de patiënt nog kan en wat niet meer en daar het behandelplan op afstemmen. ‘Medici hebben vaak de neiging alles wat ze kunnen aan onderzoeken en behandelingen ook daadwerkelijk te doen. De ziekte te behandelen, niet de oudere. Maar niet alles dat kan, moet. Ik zie de mens als een kaartenhuis. Je kunt daar best wat kaartjes uit wegtrekken zonder dat het geheel instort, maar uiteindelijk trek je een kaartje weg dat cruciaal bleek te zijn en stort het helemaal in elkaar. Wij inventariseren welke kaarten iemand nog heeft, die versterken we en we proberen om hier en daar een kaartje terug te steken.’

In de wijkkliniek is het de eerste prioriteit dat de patiënt in beweging blijft

Zittend aan de eettafel in de woonkamer van de kliniek, schetst Oudejans dat iets simpels als aan tafel eten de patiënt kan helpen zijn of haar kaartenhuis te verstevigen. ‘De meeste ziekenhuizen hebben geen woonkamer. Wij wel en ik wil dat patiënten hier eten. Ik snap niet waarom we het normaal vinden zieke mensen in bed te laten eten. Niemand is gewend onderuitgezakt te eten en ouderen zijn vaak motorisch onhandig. Zo belandt een deel van hun maaltijd op hun borst, een deel in de slokdarm en een deel in de luchtpijp. Ze verslikken zich, verliezen het vertrouwen dat ze zelfstandig kunnen eten en krijgen te weinig voedingsstoffen binnen. Zonde! Bovendien biedt het opstaan en naar de woonkamer lopen een waardevol trainingsmoment.’

Ook de ruime opbouw van de patiëntenkamers is onderdeel van de filosofie van de Wijkkliniek. Familie en andere mantelzorgers zijn niet aan bezoektijden gebonden. Ze mogen mee-eten en blijven slapen. Zo kunnen naasten meedraaien in het ziekenhuisje en raken ze aangestoken met de filosofie van het zelf doen. ‘Patiënten en familie vinden het aanvankelijk vaak gemeen dat wij niet even de koffie of medicatie aanreiken. Maar als we uitleggen wat het idee daarachter is, zien ze de meerwaarde ervan. Dat we mantelzorgers daarin meenemen helpt hen die zelfstandige lijn thuis voort te zetten.’

Hoe zal het de eerste patiënt van de Wijkkliniek – en de vele die daarop zullen volgen – na ontslag vergaan? Gaan de dramatische heropnamecijfers voor ouderen na spoedeisende-hulpbezoek omlaag? Oudejans en Buurman kunnen zich niet anders voorstellen, maar houden die cijfers – het zijn immers wetenschappers – de komende jaren nauwlettend in de gaten.