Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Een (on-)orthodoxe strijd tegen radicalisering

In een poging de antiradicaliseringsstrijd van wetenschappelijke inzichten te voorzien, brengt politicoloog Floris Vermeulen de Amsterdamse aanpak en uitkomsten in kaart.  ‘Ik wil de empirie terugbrengen naar het politieke debat.’

2 november 2004, de brute moord op Theo van Gogh plaatst de stad voor beangstigende en prangende vragen; lopen er nog meer Mohammed Bouyeri’s rond? Hoe ontstaat deze vorm van haat en agressie? En hoe kunnen we voorkomen dat andere jongeren hetzelfde radicale pad op gaan? Er moest iets gebeuren en vlot ook. ‘De gemeente pakte in paniek uit met sociale en preventieve programma’s om radicalisering tegen te gaan,’ memoreert universitair hoofddocent Floris Vermeulen. ‘Er was geen tijd om te wachten op wetenschappelijke inzichten over radicalisering en de beste manier om dat tegen te gaan.’ Vermeulen doet onderzoek naar antiradicaliseringsbeleid in Amsterdam en probeert daarbij handreikingen voor toekomstig beleid te doen. Een van de hete hangijzers daarbij; mogelijke samenwerking met streng religieuze organisaties als salafistische moskeeën.

Waarom draait de ideeënstrijd over samenwerking met salafistische organisaties?

‘Het is een gepolariseerde discussie. Enerzijds hebben raadsleden vanuit het discours over de scheiding tussen kerk en staat felle kritiek op samenwerking met die salafistische organisaties. Ongeacht of het gaat om financiering van antiradicaliseringsprojecten of alleen om bijvoorbeeld regulier overleg, omdat ook dat een soort erkenning uitstraalt die veel raadsleden ongepast vinden jegens organisaties met zeer conservatieve religieuze opvattingen – soms in strijd met waarden als gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. Anderzijds zijn er pragmatici die stellen dat de jongeren waarbij radicalisering het meest waarschijnlijk is zo negatief aankijken tegen de overheid en reguliere initiatieven dat samenwerking met die orthodoxe stromingen de enige reële mogelijkheid biedt hen te bereiken.’

Is er überhaupt overeenstemming te vinden met salafistische organisaties op het gebied van antiradicalisering?

‘De twee kampen in de discussie verschillen ook van mening over het antwoord op die vraag, maar over het algemeen kun je stellen dat salafistische organisaties geweld afkeuren en dat dat een gedeeld perspectief biedt voor het voorkomen van ontsporing.’
 

Hoe verhoudt de gemeente zich tot nu toe tot die salafistische organisaties in het antiradicaliseringsbeleid?

‘Aanvankelijk koos Job Cohen voor een open benadering, waarin hij iedereen probeerde mee te krijgen in het voorkomen van radicalisering. Onder Van der Laan verschoof het contact. Samenwerking met salafistische organisaties werd incidenteel en  vond alleen plaats naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen in de stad of daarbuiten .’

Hoe kun je onderzoeken hoe dat beleid heeft uitgepakt?

‘Allereerst wil ik alle betrokkenen aan het woord laten. Beleidsmakers, jongerencoaches, leiders van islamitische gemeenschappen. Ik wil weten hoe zij de afgelopen jaren hebben ervaren. Ik verwacht op woede en frustratie te stuiten bij de religieuze organisaties. Zij hebben het gevoel alleen te mogen komen opdraven als de gemeente iets van hen wil, hulp bij het tegengaan van radicalisering. Terwijl ze zich niet gehoord voelen in bijvoorbeeld de discussies rondom ritueel slachten of het verbod op gezichtsbedekkende kleding.’

De segregatie in de stad baart me zorgen

Waarom kies je voor die aanpak?

‘Het delen van die perspectieven brengt mensen bij elkaar, helpt betrokkenen inzien wat er voor de ander speelt. De segregatie in de stad baart me zorgen, ik wil graag bijdragen aan het kweken van wederzijds begrip. Daarbij is het mijn doel de empirie terug te brengen naar het politiek debat; uit te gaan van de feiten. In welke gevallen, op welke thema’s en onder welke voorwaarden is samenwerking met salafistische organisaties mogelijk?’