Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Een ultieme vorm van kunstgeschiedenis

Bij het NICAS bestuderen de Universiteit van Amsterdam, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Rijksmuseum historische en hedendaagse cultuurschatten. Wetenschappers proberen te doorgronden hoe schilderijen, beelden, keramiek en glaswerk zijn gemaakt en vooral ook hoe ze de materialen kunnen beschermen tegen de tand des tijds. Ze binden de strijd aan met de desastreuze invloeden van zuurstof, daglicht en luchtvochtigheid om het cultureel erfgoed te behouden.

Wie het gebouw van het voormalig Veiligheidsinstituut aan het Museumplein betreedt, stapt een wonderlijke wereld binnen. Het Netherlands Institute for Conservation+Art+Science+ (NICAS) dat er tegenwoordig huist, biedt een bijzondere mengelmoes van enerzijds klinisch witte muren en rustgevende noorderlichtinval door het zaagtanddak en daar tegenover een bont scala aan intrigerende objecten en bedrijvigheid. Zo sieren meerdere modellen van Sophie de giraf het lab waar onderzoek naar plasticverval wordt gedaan, en staan een ruimte verderop ouderwetse apothekersflessen met pigmenten als ultramarijn, loodmenie en Pruisisch blauw. In het keramiekatelier kijkt een statig 18e-eeuws borstbeeld van koningin Maria Stuart mee hoe een van de restauratoren met haarfijne kwastjes de breuklijnen van een Chinese kan wegwerkt.

Een zilveren handenwarmer

Hoogleraar conserveringswetenschappen Maarten van Bommel buigt zich over een vierkante plastic Tupperware. Erin ligt een grote zwarte bal. Het oppervlak is onregelmatig en dof, er zitten gaatjes is en er plakken bruine sliertjes aan. Aan de onderkant zit een grotere holte, die een kijkje biedt op het – eveneens matzwarte – binnenwerk. Het is een zilveren handenwarmer, vertelt Van Bommel. In het binnenwerk kon een brandend kooltje worden geplaatst dat dankzij een ingenieus scharnier altijd rechtop gehouden werd. De eigenaar kon zijn koude ledematen laven aan de warmte die zich door het zilver verspreidde.

Maarten van Bommel (foto: UvA)

De bol is met onder meer een veelbesproken japon, een aantal toiletartikelen en een pronkbeker in 2014 van de Texelse zeebodem gevist als onderdeel van de lading van een schip dat in de Gouden Eeuw is vergaan. Aan Van Bommel de vraag: welke informatie kan de handenwarmer opleveren en hoe kun je die informatie aan het object onttrekken? ‘Zo ver bekend bestaat er wereldwijd maar een zilveren handwarmer, dat is deze. Hij is dus volkomen uniek. Wil je hem in al zijn pracht en praal laten zien, dan moet je hem schoonmaken, de corrosie verwijderen. Maar daarmee verwijder je ook informatie die je nooit meer terugkrijgt, bijvoorbeeld als er bladgoud in die corrosielaag zit omdat de hele bol eigenlijk verguld blijkt te zijn geweest.’ Dat de handwarmer getoond moet worden, staat voor Van Bommel buiten kijf. ‘Ons cultureel erfgoed is wat de drommen voor de deur naar het Museumplein brengt. Het zijn de creaties die ons onderscheiden van alle andere organismen, daar mogen we trots op zijn. Misschien komen we er wel op uit dat hij in deze gecorrodeerde, vieze staat het best tot zijn recht komt, en maken we er een glimmende replica naast. Fysiek of digitaal.’

Kostbaar brons

Promovendus Arie Pappot vist twee blauwe latex handschoenen uit de zak van zijn groene jasje en tilt een bronzen beeld op dat voor hem op een werkblad staat. Het beeld is een kleine replica van de Sabijnse Maagdenroof – een indrukwekkend werk in marmer, in de zestiende eeuw in Florence gemaakt door de Vlaamse beeldhouwer Giambologna. ‘Deze bronzen replica’s zijn zelden gesigneerd. Door wie, waar en wanneer ze gemaakt zijn, is dus lastig vast te stellen. Zo’n bronzen gietsel van de hand van Giambologna zelf is al gauw tien miljoen euro waard. Betreft het een reproductie door een andere kunstenaar, dan is het lastig iemand te vinden die er meer dan 30 000 euro voor wil betalen.’ Het zijn dit soort authenticiteitsvraagstukken die Pappot het meest prikkelen. ‘Het is een ultieme vorm van kunstgeschiedenis, ze doen een beroep op al je kennis van kunstenaar en opdrachtgever, materiaal, historie en vakmanschap.’

Arie Pappot
Arie Pappot

Voor Pappot vormden die authenticiteitsvragen uitgangspunt voor een promotieonderzoek. In een poging meer inzicht te krijgen op de herkomst van bronzen beelden nam hij de koperindustrie in Europa onder de loep. Hij bracht in kaart welke mijnen tussen 1500 en 1820 koper produceerden en welk type vervuiling het koper uit die verschillende mijnen typeert. Daarnaast inventariseerde hij voor verschillende Europese streken in welke verhouding koper, zink en tin daar tot legering werden verwerkt. Het onderzoek werpt z’n vruchten af. De promovendus houdt het beeld op zijn kop en wijst op sporen van wasdruppels aan de binnenkant. ‘Die sporen van de giettechniek wijzen op een typisch Italiaanse vervaardigingswijze, maar de samenstelling en vervuiling van het brons laten zien dat het beeld in Frankrijk moet zijn gegoten.’ Nuttige informatie, maar jammer voor het beeld in Pappots handen, want daarmee is de kans dat het een originele Giambologna zou betreffen definitief verkeken.

Ziek glas

‘Zieke glazen’ staat er op een geeltje dat aan de rand van een grote kerstballendoos kleeft. Daarin liggen op vloeipapier een aantal precair uitziende vazen, schalen en potjes van glas. Promovendus Guus Verhaar tilt er voorzichtig een zeventiende-eeuwse kan met elegante schenktuit uit. De kan is mat poederroze. Hoewel het er charmant uitziet, is die matte kleur absoluut geen goed teken; oorspronkelijk was de kan kleurloos en transparant. Verhaar pakt er een zakje bij waarin het fraai-gevormde dekseltje van de kan – tevens mat poederroze – in gruzelementen ligt.
 

Guus Verhaar (foto: Isabelle Garachon)
Guus Verhaar (foto: Isabelle Garachon)

Het betreft een heftig geval van wat ‘ziek glas’ genoemd wordt – al spreekt Verhaar liever van instabiel glas. Het oppervlak van instabiel glas reageert met vocht uit de omgeving, daardoor trekt water in het glas. Als dit vervolgens verdampt zorgt het verlies aan volume voor spanning in het materiaal. Daardoor ontstaan kleine barstjes, het glas komt er mat uit te zien en loopt het risico te barsten, zoals het dekseltje van de roze waterkan. De grote boosdoeners in dit destructieve proces zijn hoge luchtvochtigheid en idem temperaturen – omstandigheden waar glaswerk tijdens tentoonstellingen soms aan wordt blootgesteld. Verhaar: ‘Het verraderlijke is dat je lang niet altijd kunt zien welk glas het risico loopt ziek te worden. En dus weet je niet welk glas je extra moet beschermen als je het tentoonstelt.’ Tijdens zijn promotieonderzoek heeft Verhaar een lakmoesproef voor instabiliteit ontwikkeld. Op basis van sporen van atomen die het glas verlaten hebben, kan hij inschatten welk glaswerk kwetsbaar is, ook als er nog geen duidelijke tekenen van instabiliteit zichtbaar zijn. Geen overbodige luxe, naar schatting is 10 tot 30 procent van het museale glaswerk ernstig instabiel.